IN VUUR EN VLAM OP JACHT NAAR GOUD

Sportwetenschap wordt nu wél serieus genomen

02/06/2009 · 2 Reacties

Marije Elferink-GemserIn het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst. Een veelgehoorde kreet en dat geldt voor de sport ook. Gevestigde sporters blijven niet eeuwig presteren. Daarom moet er constant doorstroom zijn van talent naar de seniorentop. Talentontwikkeling dus. Een van de speerpunten van sportkoepel NOC*NSF. Een gesprek met wetenschapper Marije Elferink-Gemser over dit onderwerp, maar ook over het belang van wetenschap in de topsport en de eventuele Olympische plannen.

“Voor de talentontwikkeling is nu veel meer aandacht. Dat zie je ook terug in de plannen van het NOC*NSF en de regering. Er is de laatste tien, vijftien jaar veel meer wetenschappelijke aandacht voor het begrip talentherkenning en –ontwikkeling. Langzaam maar zeker volgt de praktijk daar ook in.”

Toen en nu: wereld van verschil

“Veertig, vijftig jaar geleden konden topsporters die heel veel aanleg hadden of talent hadden op topniveau presteren. Maar ook mensen die niet zoveel aanleg hadden, maar wel veel trainden konden aan de top meedoen. Tegenwoordig komt dat niet meer voor. Het niveau van de sport is in zijn geheel gestegen.” De wetenschap levert daar volgens haar een bijdrage aan om uit te zoeken welke factoren belangrijk zijn om heel goed te zijn of beter te worden.

“Het voordeel van wetenschap is dat je op een objectievere manier in kaart kunt brengen welke factoren bijdragen om succesvol te zijn. Ik zeg niet dat zonder wetenschap de topsport niet kan verbeteren, maar het speelt dus wel een rol van betekenis. Het geeft een sterke impuls aan het niveau van de topsport.” Ze weet dat niet alleen de 10.000 trainingsuren nodig zijn om de top te bereiken.

Tips van Elferink-Gemser om als talent de top te bereiken.

Studie naar kwaliteiten talenten

Vanaf 2000 heeft Elferink-Gemser talenten in voetbal en hockey gevolgd. Wat is de kwaliteit van de persoon zelf, van de omgeving (ouders, trainer) en aspecten van het kind zelf. Denk daarbij aan lichaamsbouw, fysiologische aspecten (of iemand goed kan sprinten, juist een goed uithoudingsvermogen heeft of wendbaar is), technische kwaliteiten, mentale kwaliteiten en tactische kwaliteiten. “In sommige sporten is dat heel belangrijk of zelfs doorslaggevend. In een split second moet je een beslissing nemen en tot actie overgaan. Dat hele scala brengen we in kaart. Op basis daarvan maken we prestatieprofielen waarin we kunnen zien of de ontwikkelingscurve is die je kunt verwachten van iemand die de top haalt.”

Beperkte plek aan de top

De wetenschapster deed jarenlange studies naar voetbaltalenten. Arjen Robben is een duidelijk voorbeeld van een sporter die de top heeft gehaald.

De wetenschapper deed jarenlange studies naar voetbaltalenten. Arjen Robben is een duidelijk voorbeeld van een sporter die de top heeft gehaald.

Vanwege het feit dat de studie in 2000 is begonnen, kunnen we nu ook van een groot aantal sporters zeggen of ze wel of niet de top gehaald hebben. Wat zijn de verschillen met degenen die het niet haalden, maar wel in de talentenselecties zaten? “Een goed voorbeeld van een speler die de top duidelijk gehaald heeft, is Arjen Robben. Maar er zijn ook een hoop voetballers blijven hangen in de hoofdklasse van het amateurvoetbal. Er is natuurlijk maar beperkt plaats aan de top. We willen eigenlijk de kans vergroten dat kinderen het wel halen en het niveau van de sport in zijn totaliteit omhoog te krijgen.”

“Er zijn verschillende kwaliteiten die doorslaggevend kunnen zijn. Tactiek is heel erg belangrijk, en zeker in het aspect positie kiezen en besluitvorming. Daar zit groot verschil tussen de toppers en de subtoppers. Ook op het gebied van sportmotivatie zien we verschillen. Bij intrinsieke sportmotivatie zie je al op 16-jarige leeftijd kleine verschillen tussen de talenten die het wel halen en die het niet halen. Dat verandert niet heel dramatisch in de leeftijd twaalf tot negentien jaar. Eigenlijk kun je zeggen dat je op 12-jarige leeftijd al enorm gemotiveerd moet zijn en dat je moet je ook blijven. Stilstaan is achteruitgaan.”

Volgens Elferink-Gemser kan dat natuurlijk te maken hebben met de motivatie (uitgaansleven, invloeden buitenaf) of net iets meer trainen. “Op zo’n moment lopen de curves uit elkaar. Dit geldt ook voor sprinten en techniek. Dus je kunt op jongere leeftijd al indicaties vinden voor de latere profs.”

Talent recognition

Australië heeft een andere aanpak, maar om de Australiërs op dat punt als voorbeeld te nemen vindt ze te ver gaan. “Daar kijken ze bijvoorbeeld in welke sport een kind geschikt is, ze noemen het talent recognition. Als de verwachting is dat het kind lang wordt, zou je misschien kunnen gaan basketballen of volleyballen. De juiste personen worden dus op de juiste plek gezet. Het achterliggende idee daarbij is dat men denkt dat je daar de meeste kans op succeservaringen hebt. Dat heeft in Australië een enorme stimulans gegeven. Daar wordt steeds meer geld gestoken in sportonderzoek.”

 

Waterpoloster Ilse van der Meijden studeert in de VS aan de Universiteit. Ilse is top op school en top in sport.

Waterpoloster Ilse van der Meijden studeert in de VS aan de Universiteit. Ilse is top op school en top in sport.

Top in sport = top op school

 

“Vijftien jaar geleden leek het erop dat de talenten iets hogere schooltypes volgden dan de reguliere kinderen. Dat was een trend en het gaf geen significante verschillen. Nu hebben we een studie gedaan en het nog eens bekeken. Het landelijke gemiddelde is niet veranderd, maar de talenten volgen veel vaker een hogere schoolopleiding dan toen. Het lijkt er dus op dat schoolopleiding toch bepaalde aspecten heeft voor getalenteerde kinderen in de sport. Wij denken dat het te maken heeft met de wil om te leren en te kunnen leren. Het leervermogen, wij noemen dat zelfregulatie.”

De zelfregulatie kun je volgens de wetenschapster onderverdelen in 3 aspecten.

1)      Metacognitie. “Plannen, goed kunnen bedenken welke stappen te kunnen nemen om een bepaald doel te halen. Het kunnen monitoren (‘ben ik op de goede weg?’), evalueren (meer terugkijken in een klein proces dat je goed bezig bent in een training) en over het hele proces goed kunnen reflecteren. Dat is meer voor de langere termijn. Die aspecten van metacognitie zijn heel erg belangrijk om het op school goed te doen, maar ook om het in de sport goed te doen.”

2)      Gemotiveerd zijn. “Je moet heel veel moeite daarvoor doen en er veel voor over hebben. En ook self efficiency (geloof in eigen kunnen). Dat ligt dicht tegen zelfvertrouwen aan.”

3)      Uiten in gedrag. “Als kinderen vertrouwen hebben om school en sport te kunnen combineren op hoog niveau, uit zich dat ook in gedrag. Ze komen afspraken na, denk aan op tijd op de training, extra vrije trappen oefenen, etc. Heel doelgericht bezig met hun eigen leerproces. Dat sluit weer aan op een andere studie die we vorig jaar hadden gedaan, waarin we keken naar de kwaliteiten van de talentcoaches.”

Verantwoordelijkheid aan speler zelf

Wat moet je als trainer eigenlijk aan kwaliteiten hebben om jouw spelers de meeste kans te kunnen geven om de top te halen? Met behulp van de grote hoeveelheid data van talenten kwamen ze tot het antwoord. Wat onderscheidt de succesvolle talenttrainer van de iets minderen? Degenen die voornamelijk de autonomie van hun talenten heel erg benadrukt. Dus de trainer geeft veel verantwoordelijkheid aan de speler zelf. De speler moet zijn eigen verantwoordelijkheid nemen voor het eigen leerproces. Dan heb je meer kans de top te halen. Niet iemand die bijvoorbeeld klakkeloos alle trainingen doet. Je moet het zelf goed op orde hebben. Ook is het handig dat je ouders je steunen en dat je sport een goede competitiestructuur heeft.

Als je de top wilt bereiken, zijn dit algemene kenmerken die je moet bezitten. Niet alleen in sport, maar ook om een topper in de muziek en de wetenschap te worden. Er blijven altijd wel uitzonderingen van basketballers uit een sloppenwijk of voetballers uit een achterbuurt die de top halen.

LOOT

Sport & onderwijs

Elferink-Gemser vindt dat LOOT-scholen een goede ontwikkeling doormaken. “Het is goed dat het lesrooster aangepast wordt aan trainingen en wedstrijden van de leerlingen. Bij het NOC*NSF wordt het besef steeds groter dat sport en onderwijs goed gecombineerd kunnen worden, denk daarbij ook aan de Centra voor Topsport & Onderwijs.   

“De vraag is of het positief is als je alleen maar met sport bezig zou zijn, zeker op zo’n jonge leeftijd. Het is belangrijk om een schooldiploma te halen, zeker voor het vervolg van je carrière. Vanaf een jaar of 17 komen de investment years. Dan geef je echt alles voor de sport.”

De bewegingswetenschapper waarschuwt dat in de top weinig plek en voor slechts weinig sporters financiële onafhankelijkheid van toepassing is. “Niet iedereen haalt de absolute wereldtop. Wielrenners verdienen bijvoorbeeld vrij weinig geld als je het vergelijkt met voetballers en tennissers. Als je de top niet haalt en gewoon een studie hebt gevolgd, heb je veel belangrijke aspecten in de sport geleerd. Dus is het zeker geen verloren traject geweest.”

Denk aan lange termijn!

Er is dus steeds meer aandacht voor talentontwikkeling, maar valt er in Nederland nog winst te boeken? Elferink-Gemser: “Ja, dat denk ik zeker. AZ heeft als doelstelling ieder jaar twee spelers uit de jeugdopleiding door te laten stromen naar het eerste elftal. Dat is gigantisch veel.” Zodra die talenten overgeheveld worden naar het eerste, geeft de club ook een positief signaal af naar de andere talenten. De wetenschapster ziet dat er enorm veel geld in een jeugdopleiding gestopt wordt, maar dat er niet zo gek veel doorstroomt. Daar is dus winst te boeken. “Ga zorgvuldiger met talenten om en geef ze de kans om op het hoogste niveau te acteren.”

Belangrijk hierbij is dat een jonge speler niet gelijk afgeschreven wordt bij een fout, denk aan langere termijn. Aan de andere kant moet ook niet gelijk de polonaise gelopen worden en een enorme stempel op zo’n speler gedrukt worden als hij of zij twee of drie wedstrijden achter elkaar grote indruk maakt. Wisselvalligheid is inherent aan de carrière van een jonge sporter, weet ook de oud-wielrenster.

 

Geen medaille voor favoriet Theo Bos in Peking.

Geen medaille voor favoriet Theo Bos in Peking.

Terugblik Peking

 

“Heeft de Nederlandse equipe het goed gedaan op de Olympische Spelen in Peking? Moeilijk te zeggen… we hebben natuurlijk kansen laten liggen bij het zwemmen, in het wielrennen en het baanwielrennen, maar de waterpolodames bijvoorbeeld wonnen toch verrassend goud. Het zit in kleine dingen… En daarom is sport ook zo mooi, het is niet voorspelbaar. Het verschil tussen winst en verlies is klein. De ene keer rolt de bal de goede kant op, de andere keer de verkeerde kant. Zo is het nu eenmaal.” Wat als… Ja, wat als Rob Rensenbrink in 1978 vijf centimeter meer naar rechts had geschoten. Dan was Nederland in Argentinië wereldkampioen geworden. Als telt niet.

 “We zitten nog niet structureel in de top-10, maar voor een land als Nederland doen we toch heel behoorlijk mee! Ik denk dat de medailleoogst in Peking een goede afspiegeling is van de topsport in Nederland. Op dit moment dan. Door slim met onze talenten om te gaan, kunnen we die ambitie verwezenlijken. We hebben de faciliteiten, het geld, de kennis en innovaties. We moeten het niet hebben van de kwantiteit, maar van de kwaliteit.”

OS2028 haalbaar

Elferink-Gemser juicht het Olympisch Plan 2028 toe. Ze vindt het een stimulans om op deze voet verder te gaan en zelfs te verbeteren. “Het is fantastisch dat talentontwikkeling één van de speerpunten is van NOC*NSF. Extra faciliteiten, het aanstellen van talentcoaches… allemaal dragen ze bij aan een verbeterde topsportcultuur.” De Spelen in Nederland zijn haalbaar denkt de wetenschapper. Ze is ervan overtuigd dat veel Nederlandse talenten op die Spelen kunnen schitteren. “Dat het organiserende land heel goed presteert, is vaak ook een effect van de Olympische Spelen.”

Sport geeft positieve werking op Nederland

“Wat mij betreft mag er alles aan gedaan worden om Nederland als echt topsportland te zien, mits zij uitzicht hebben op een top-8 klassering. De omstandigheden voor de topsporters moeten zo gunstig mogelijk gemaakt worden. Of we de organisatie nu wel of niet krijgen, ik denk sowieso dat het een hele positieve werking zal krijgen op Nederland. Topsporters hebben een voorbeeldfunctie voor de jeugd en topsport heeft een enorme uitstraling op de breedtesport. Jongeren willen bijvoorbeeld een voetbalshirt met de naam van hun favoriete speler.”

Ruim 15% van de kinderen heeft overgewicht.

Topsport kan een stimulans zijn voor de sportparticipatie van kinderen. Ruim 15% van de kids heeft overgewicht.

“Het heeft zó’n uitwerking op de sportparticipatie van kinderen… Zeker tegenwoordig met het beeld van te dikke kinderen, is bewegen extra belangrijk.” Ze denkt dat dit een extra stimulans kan zijn om kinderen achter de computer weg te halen en wél op het veld bezig te zijn. “In navolging van hun idolen gaan bewegen en daardoor sociale vaardigheden leren. Op een andere manier samenwerken dan dat ze normaal leren als ze achter hun schoolbankje zitten. Daarnaast is sport voor de integratie een enorm bindmiddel. Kortom: er zijn opbrengsten voor de samenleving in zijn geheel.”

Heldenstatus

Topsporters zijn eigenlijk onze helden. Als ze een Olympische medaille behalen, mogen ze met de koningin op de foto, er zijn huldigingen. We dragen ze letterlijk op handen. Denk aan het Holland Heineken House. We moeten dus geld blijven vrijmaken voor (top)sport. Ik denk dat de bijdrage van de wetenschap daar heel belangrijk in is. Ook op het gebied van innovaties moeten we de voorloper worden.”

Focus

De ambitie is om tot de beste tien landen van de wereld te behoren. Volgens haar is het zaak om te focussen op de Olympische sporten. “Nederland heeft een beperkt aantal kinderen, zeker in vergelijking met China. Nederland moet wel heel goed met zijn talenten omspringen, wil het überhaupt daartegen kunnen concurreren. Als je dat heel erg versnippert over de verschillende sporten, dan wordt het natuurlijk heel lastig om als land jezelf te meten met de absolute wereldtop in al die verschillende takken van sport.” Focus is het toverwoord en dat doet het NOC*NSF ook.

“In het basketball bijvoorbeeld spreekt Nederland internationaal geen woord mee, maar op nationale schaal mag er wel meer aandacht komen. De competitiestructuur is als het ware het eigen opleidingssysteem. Doel is om toppers af te leveren.” Daarom is het zonde voor de Nederlandse jeugd dat de eredivisieteams vol zitten met Amerikanen. Er zit daardoor een rem op de ontwikkeling van het Nederlands basketballtalent. De roep om hernieuwde regels is ingezet om de jeugd te stimuleren. “In het wielrennen moest vroeger een bepaald percentage van ons team bestaan uit rensters onder de 23 jaar. Een idee voor alle teamsporten? Het zou in elk geval een extra duw in de rug zijn om het succes te bereiken.” Ook zou volgens haar een maximaal aantal buitenlanders een goede oplossing zijn (in het voetbal de 6+5 regeling).

“Positief is ook dat de waarde van sportwetenschap in de praktijk steeds meer wordt ingezien en dat er steeds meer mee gedaan wordt. Sport heeft wetenschap nodig en andersom ook. Langzaam maar zeker dringt het besef door dat wij een toegevoegde waarde zijn. Het belang is groot, dus over meerdere jaren zal Nederland zijn vruchten plukken van deze verbeterde aanpak.”

Categorieën: Coaching · Innovatie & Wetenschap · Interview · NTC-CTO · Olympisch Plan 2028 · Onderwijs & Topsport · Talentontwikkeling · Topsporters
getagged: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

2 reacties so far ↓

Laat een reactie achter